Professor Hans Renner

* 1946

  • “U moet zich voorstellen: wij waren een bourgeois familie. Dat betekende dat ik als kind een bourgeoiskind was, en dat was niet zo best. Op de lagere school waren de bourgeoiskinderen bij voorbaat bestemd om niet naar de middelbare school te gaan. Dat wil zeggen: na 15, 16 jaar lagere school de productie in – in de kolchozen, de JZD dus, of in de bouw of zoiets. Maar zoals het vaker gaat: het lot loopt anders dan men zich voorstelt. Ik heb als kind altijd pianogespeeld, vanaf mijn vijfde jaar. Dat vond ik een prachtig instrument. Maar mijn vader heeft mij – je zegt niet graag ‘gedwongen’ over je vader, maar hij heeft mij toch dringend aangespoord – om harmonica te spelen, trekzak. Dat was een instrument dat heel populair was in die socialistische samenleving, want met de harmonica, de garmoška, hebben de Russen half Europa ‘bevrijd’ – of bezet – tot en met Berlijn. Dus ik móést van mijn vader harmonica spelen. Ik vond het verschrikkelijk. Ik vond het geen leuk instrument. Maar ja, als je vader dat vraagt… En daarbij moest ik ook nog Russische liedjes zingen. Wat ik ook braaf deed. U moet zich voorstellen: er is zelfs een mooie foto van. Ik speelde op die harmonica op communistische feesten, als kind, in de koren van gillende meiden, pioniers – allemaal in pioniersoutfit: witte bloesjes, rode doekjes. En ik was de enige jongen die daar met de harmonica die meisjes begeleidde. Ik moet u zeggen: ik heb me rood geschaamd. U moet zich voorstellen: een jongen in de prepuberteit, die gillende meiden moet begeleiden… Ik wil niet zeggen dat ik daar trauma aan heb overgehouden, maar het heeft me behoorlijk gegrepen. Uiteindelijk is het met mij toch goed gekomen. Juist het feit dat ik zo’n brave pionier was, dat ik harmonica speelde en Sovjetliedjes zong, heeft mij gered. Toen ik de lagere school af had, moest – zo ging dat in de communistische periode – het plaatselijke partijcomité van de stad beslissen wat er met ‘dat kind Renner’ moest gebeuren. En ik gold als een soort socialistisch heropgevoed kind. De partij had zulke kinderen nodig, zodat ze aan de ouders konden laten zien: de ouders zijn slecht, maar het socialistische systeem werkt, het kind wordt socialistisch heropgevoed. Als socialistisch heropgevoed kind nam de partij een besluit: ik kreeg een kans om naar de middelbare school te gaan. En ik heb die kans gegrepen. Zo belandde ik op de middelbare school, dankzij mijn harmonicaspel. En toen werd alles anders.”

  • “In 1968 speelde ik weer piano in dat hotel in Oostenrijk. De familie Van der Kuilen was allang terug in Nederland, in Hilversum. En toen kwam de nacht van 20 op 21 augustus 1968 (de invasie van de troepen van het Warschaupact). Verschrikkelijk. Dat is tot nu toe het allerergste moment van mijn leven geweest. U moet zich voorstellen: de Russen trekken binnen. Je bent op dat moment niet in Praag, je weet niet wat je moet doen, de wereld stort in. Ik kon me niet meer concentreren op mijn pianospel – ondenkbaar. Een paar dagen later kwam er uit Hilversum een kaartje, geschreven door deze familie. Toen waren er nog geen mobiele telefoons. Op die kaart stond: ‘Hans, als je hulp nodig hebt, laat het weten. Wij kunnen je helpen. Kom naar Nederland.’ Een geschenk uit de hemel. Letterlijk. Daarna heb ik mijn spulletjes gepakt. U moet zich voorstellen: ik had Tsjechische studieboeken bij me, omdat ik me voorbereidde op tentamens aan de faculteit. Ik heb mijn boeken gepakt, twee overhemden, een beetje ondergoed, en een kleine tent. Liftend ben ik naar Nederland gekomen. Dat is het frappante van emigreren, van vluchten: je neemt altijd de verkeerde dingen mee. Die Tsjechische boeken heb ik nooit meer nodig gehad. Maar ik kwam bij die Nederlandse familie terecht en zij hebben mij fantastisch opgevangen. Ik kon daar blijven. En weet u: ik was toen 21 jaar jong. Je denkt dat je op eigen benen kunt staan, maar dat is niet zo. Je hebt toch de geur en de warmte van het nest nodig. Deze familie heeft dat nest voor mij gevormd. Daar ben ik hen nog altijd zeer dankbaar voor.”

  • “Ik heb al verteld dat ik altijd mijn best heb gedaan voor de studenten. Tegelijkertijd heb ik, zoals veel immigranten, een dubbel gevoel: dankbaarheid voor wat de nieuwe samenleving voor je heeft betekend, en het gevoel dat je in het krijt staat en nog niet genoeg hebt teruggegeven. Dat is een merkwaardig gevoel, en dat heb ik altijd gehad, wat ik ook heb gedaan tot op de dag van vandaag, en dat vind ik één van de grote wapenfeiten die ik in mijn carrière als hoogleraar kon bereiken. Wij gaan terug naar 1977. Charta 77 werd in januari 1977 opgericht. Op 1 maart 1977 bracht de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken, Max van der Stoel, een officieel bezoek aan Praag. In het hotel Intercontinental sprak hij daar met de woordvoerder van Charta 77, professor Jan Patočka. Dat was toen een heldendaad. Van der Stoel had het moed om een dissident te ontmoeten, iemand die door de communisten gehaat werd. Dat maakte grote indruk, ook in het buitenland. Sinds Van der Stoel Praag bezocht, had vrijwel elke westerse politicus die Tsjechoslowakije bezocht contact met Havel, Dienstbier of andere dissidenten. Maar goed, professor Patočka, werd vervolgens langdurig ondervraagd door de geheime politie. Oude man, ik heb hem nog gekend van de colleges aan de filosofische faculteit. Saaie man, eerlijke man, hij is aan een haartaanval overleden naar die ondervragingen. En nu. De geschiedenis gaat verder. De Fluwelen Revolutie komt, Havel wordt president, Van der Stoel wordt natuurlijk als een held gezien door de Charta 77, iemand die de democratie heeft in de moeilijkste tijden hooggehouden in formele Tsjechoslowakije. En toen heb ik met Justa (zijn vrouw) gedacht: we moeten toch wel iets doen. Er was in Praag nergens een plek naar hem genoemd – terwijl in 1989 overal plaatsen herbenoemd. Maar wij waren te laat met Van der Stoel. Op 1 maart 2017, precies veertig jaar na die ontmoeting met Jan Patočka, is er, vlak bij de Praagse Burcht, een park onthuld: het Max van der Stoelpark. Dat is onze bescheiden verdienste, zij het met hulp van anderen, zoals de toenmalige Nederlandse ambassadeur in Tsjechië Jan Henneman. Op het moment van die opening dacht ik: “OK, mijn Nederlandse landgenoten, nu staan we quitte.”

  • “Omdat die gezin me eigenlijk adopteerde. Ik had een nieuwe tante en een nieuwe oom. Elke week, wanneer ik naar de cursus Nederlands ging – die ongeveer drie maanden duurde en uitstekend was – bracht ik de weekenden bij hen door. Stel je voor dat je opgesloten zit in een grote villa, alleen met Tsjechen en Slowaken, allemaal vluchtelingen. Dat was behoorlijk lastig. Je kunt het je niet voorstellen. Niet iedereen is je vriend. In zo’n gemeenschap is er altijd spanning, conflicten, jaloezie… Het was zwaar. Daarom ging ik des te liever in het weekend naar Hilversum, waar die familie me heel goed opving. Zij waren mijn adoptiefouders. En ik had nog een adoptiefamilie in België. Ook van datzelfde hotel in Oostenrijk – een Belgische familie uit het Vlaamse deel van België, uit Aalst. Dus ik had mijn eigen ouders en daarnaast ‘ouders’ in Hilversum en in België, in Aalst. Die Belgische ‘adoptievader’, Herman Bostels, was een fabrikant – hij had meerdere fabrieken voor damesondergoed. Ik ging bij hen op bezoek – vooral met Kerstmis. Het was een katholiek huis en ik voelde me er zeer goed, misschien zelfs beter dan bij die protestantse Nederlandse familie – ook omdat hun kinderen kleiner waren en ik met hen Nederlands leerde: Suske en Wiske, en zo. Ik had een goed stipendium in Nederland, maar meneer Herman vond dat het te weinig was. Dus richtte hij een eigen, prachtig particulier stipendium voor me op. Hij zei: ‘Weet je, Hansi, als je geschiedenis studeert, moet je vooral reizen. Je moet het allemaal zelf zien.’ Zo kreeg ik van hem praktisch een reiskostenbudget voor de hele wereld. Ik kon gaan waar ik wilde. Natuurlijk wilde hij ook mijn cijfers zien – maar dat was geen probleem. Die familie zorgde heel goed voor me. Zo had ik dus twee adoptiefamilies – dat was luxe.”

  • “Het was een cursus die de Nederlanders vooral hadden opgezet voor Tsjechische emigranten na 1968. We waren daar bijna allemaal Tsjechen en Slowaken, naar schatting zo’n veertig mensen, en één jongen uit Ceylon – arme jongen, die had het waarschijnlijk zwaar met ons. Het was voor die tijd een moderne, intensieve cursus: koptelefoons, taallab, Nederlandse docenten, meerdere uren per dag. Het Nederlands werd echt in ons ‘geperst’. Wat interessant was – ze zorgden fantastisch voor ons. Ze organiseerden excursies zodat we het land leerden kennen: we gingen kijken bij dammen, waterwerken en hoe die functioneren, bij een stierenboerderij… Je kunt je niet voorstellen hoe ze toen voor ons zorgden – het was bijna gênant hoeveel energie ze in ons staken. Er waren zelfs psychologen beschikbaar. We moesten bijvoorbeeld verplicht één keer per week tekenen – volgens bepaalde psychotherapeutische principes: wanneer je tekent, laat je zorgen en frustraties los. Dus moesten we verplicht tekenen, wat we eigenlijk niet wilden – wij wilden vooral Nederlands leren.”

  • “Iedereen was ongelooflijk vriendelijk tegen mij. Ik had altijd het gevoel dat ik in Nederland positief werd gediscrimineerd – iedereen zorgde voor mij, studenten hielpen me, dat is ongelooflijk. Mijn studie verliep daardoor erg goed. Des te meer omdat mijn professor een Tsjechoslowaakse vluchteling van 1948 was, historicus Dietrich, een zeer bekende expert op het gebied van Russische en Oost-Europese geschiedenis. Hij adopteerde me als het ware als student – ik was vaak bij hem thuis, hij introduceerde me in de wetenschappelijke wereld. Ik moet zeggen dat toen ik in Utrecht aankwam, mijn studie uit Praag officieel werd vergeleken via een speciale commissie die de examens en cijfers van de universiteit in Praag afwoog tegen wat ik in Nederland moest halen. Ze hebben bijna mijn hele bachelorstudie erkend, met slechts één uitzondering: ik moest een examen Nederlandse geschiedenis doen. En stel je voor – een student uit Praag die, wanneer iemand hem een boek geeft, het uit het hoofd leert. Dat was het ‘Praagse systeem’ – feiten tot in detail kennen. Dus begon ik me voor te bereiden op de Nederlandse geschiedenis op dezelfde manier – ik leerde alles uit het hoofd. Ik kwam daar, professor Boogman ontving studenten thuis, bij de koffie. Hij stelde me vragen en ik spuide alle namen, data, functies… Hij was erdoor verrast – en stel je voor dat die Tsjechische emigrant van hem het hoogste cijfer kreeg, een tien. Zo heb ik mijn bachelorstudie echt gelukkig afgerond.”

  • “Heeft u broers of zussen?” “Ja, ik heb een veel jongere zus. Zij was ook een soort ‘dissident’, onder het communisme is ze zelfs gevangengezet. Stel je voor, ze zat in de eindexamenklas van de middelbare school. En dat was deels mijn schuld, maar vooral de hare. Vanuit Nederland stuurde ik via mijn studenten verschillende boeken naar Praag – bijvoorbeeld uit de editie Sixty-Eight Publishers van Škvorecký en andere boeken die hier niet verkrijgbaar waren. Ik had veel studenten en zij smokkelden de boeken en tijdschriften in grote aantallen. Aan mijn zus stuurde ik een plaat met protestliederen van Karel Kryl. Die plaat was al in het Westen uitgebracht. Ik loste het geniaal op door er een etiket op te plakken: ‘Chopin-valsjes’ en liet het door een bekende platenverkoper in Nederland professioneel verzegelen. Zo kwam de plaat thuis aan als Chopin-valsjes. Mijn zus leende de plaat uit – ze was toen zeventien, achttien… Ze leende hem aan een bekende, die leende hem weer aan een ander, zij namen hem op op een bandrecorder – en stel je voor dat ze hem ergens in Ostrava op een discotheek draaiden. We hebben het hier over het midden van de jaren ’70, tijdens de harde normalisatie. Iemand draaide de plaat daar op de discotheek in Ostrava. Het probleem was dat de geheime dienst erachter kwam en via de opname ‘werkten’ ze zich naar mijn zus toe. Dat was precies tijdens de schriftelijke eindexamens. Ze kwamen haar rechtstreeks uit de klas halen – de geheime politie haalde haar op en ze belandde in de gevangenis in Hradec Králové. Ze werd kaalgeschoren – een meisje met lang haar, in de cel met twee dieven en een prostituee, wat niet het beste gezelschap was voor een zeventienjarige. Ze bleef daar ongeveer drie weken, totdat ze werd vrijgelaten. Ze droeg het echter erg goed – ze zei zelf dat ze er tenminste van was afgevallen, dus maakte ze er op een bepaalde manier een ‘positief’ van. Belangrijk is dat de rector van die middelbare school – een communist die ik goed kende, omdat ik daar zelf ook op school zat – haar ondanks alles het eindexamen liet afronden. Zijn pedagogische en menselijke kant was belangrijker voor hem dan het partijlidmaatschap. Dankzij hem, de communist, kreeg mijn zus haar middelbareschooldiploma. Ik wil hiermee zeggen dat niet alles zwart-wit is. Er bestaat een grote grijze zone. Niet elke communist was een schurk. Velen waren ‘radijsjes’ – rood aan de buitenkant, wit vanbinnen. Ik zei altijd tegen mijn studenten in Nederland: je kunt niet iedereen veroordelen alleen omdat hij lid was van de partij. De redenen waren verschillend. En bij veel communisten won uiteindelijk de menselijkheid. Nou, Gorbatsjov was ook een communist.”

  • “Weet u, ik zou zelfs toegeven dat ik toen probeerde de Tsjechische connotatie juist te onderdrukken. Misschien een instinct voor zelfbehoud. Ik houd erg van muziek. Stel je voor dat je in dat nieuwe land aankomt en niet terug kunt. Dat is belangrijk. In Nederland noemt men dat ‘heimwee’, heimwee naar huis. Luister naar Dvořáks 9e symfonie – daar heb je het. Heimwee is moeilijk te definiëren. Het is de geur van brood uit je jeugd, een kabbelend beekje, het zijn kleine dingen die je herinneren. En stel je nu voor dat je niet terug kunt. Er zijn twee mogelijkheden: je bezwijkt voor het heimwee, en het gaat slecht met je, of je bereikt een ander stadium. Emigreren is als een bloemetje. Wanneer je het verplant, zijn er twee opties: of de bloem bloeit, of de plant gaat dood. Een andere mogelijkheid is er eigenlijk niet. Ik heb het heimwee onderdrukt. In de eerste fase, toen ik Justa leerde kennen, ben ik daarom volledig gestopt met het lezen van Tsjechische boeken (behalve Rudé právo – dat las ik voor mijn scriptie) en vooral kon ik geen Tsjechische muziek horen. Dvořák, Smetana – dat was onmogelijk. Hoe los je dat op als je van muziek houdt en Dvořák niet mag horen? Ik loste het op door me te storten op het bestuderen van Brahms. Hij was Dvořáks leraar, altijd goed voor hem zorgend. Dvořák heeft een van zijn belangrijke werken – de Slavische dansen – ik kon die toen niet beluisteren. Maar Brahms heeft Hongaarse dansen – en enkele orkestraties daarvan werden door Dvořák uitgevoerd. Dus ik luisterde naar Brahms, maar in feite was de orkestratie van Dvořák, dat wist ik toen niet. Het zijn kleine dingen, maar emigratie is een grote ramp. Als je het niet hoeft, doe het dan niet. En dan zijn er de emigratiedromen. Vraag het elke emigrant, elke vluchteling. Ze keren altijd terug en zijn altijd hetzelfde. Weet je hoe het is wanneer je droomt dat je terug bent, laten we zeggen in Tsjechië? Je bent in Tsjechië en wilt terug, maar je kunt niet. Dat zijn nachtmerries. Emigratiedromen komen een paar keer per jaar, maar ze zijn verschrikkelijk. De hele dag daarna, soms zelfs twee dagen, is men verward. En het bijzondere is dat ze verdwijnen zodra je kunt terugkeren. Zo was het ook bij mij.”

  • “Ik ben bang voor de Russen. Punt. Ik ben bang voor Poetin. U weet vast waarom, gezien de situatie waarin we ons vandaag bevinden. En ik ben niet naïef. Daar ben ik te zeer historicus voor; ik ken de Russische en Sovjetgeschiedenis, ook de periode na de val van de Sovjet-Unie, tamelijk gedetailleerd. Ik ben niet naïef. En ik besef, meer dan bijvoorbeeld de gemiddelde Europeaan, zeker meer dan de gemiddelde Nederlander en misschien zelfs de gemiddelde Tsjech, welk gevaar vanuit deze hoek Europa bedreigt. Oekraïne hoeft niet de laatste te zijn die daarvoor betaalt. Nee.”

  • Full recordings
  • 1

    Praha, 15.04.2025

    (audio)
    duration: 02:08:45
    media recorded in project Memory of the CZ-NL Connections
Full recordings are available only for logged users.

Zonder aarzeling noem ik mezelf een Nederlander – maar met een Tsjechisch geheugen

Hans Renner
Hans Renner
photo: archiv pamětníka

Hans (Hanuš) Renner (1946, Praag) is een Nederlandse historicus van Tsjechische afkomst en emeritus-hoogleraar geschiedenis van Midden- en Oost-Europa aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij komt uit een “burgerlijke” familie; zijn vader, voor 1948 directeur van een groot handelsbedrijf, werd na de communistische staatsgreep gedegradeerd tot handarbeider en het gezin verhuisde naar Litoměřice. Dankzij muziek – piano en vooral het minder geliefde accordeon – werd hij als “socialistisch heropgevoed” burgerlijk kind toegelaten tot de middelbare school. Na het eindexamen studeerde hij geschiedenis en filosofie aan de Faculteit der Letteren van de Karelsuniversiteit, gevormd door de Praagse Lente en het lezen van Solzjenitsyns Een dag van Ivan Denisovitsj. In de zomer van 1968 speelde hij piano in een kuurhotel in Oostenrijk, waar hij eerder al een Nederlands gezin uit Hilversum had ontmoet. Na de invasie van de Warschaupact-troepen aanvaardde hij hun uitnodiging en emigreerde in september 1968 naar Nederland. Na een intensieve cursus Nederlands studeerde hij geschiedenis in Utrecht, waar hij in 1973 afstudeerde, lesgaf op een middelbare school en vanaf het midden van de jaren ’70 werkte aan de universiteit van Groningen, waar hij hoogleraar werd. In 1973 trouwde hij met de Nederlandse Justa in Naarden bij het graf van Jan Amos Comenius. Na 1989 werd hij gerehabiliteerd en onderscheiden door president Václav Havel. Hij houdt zich langdurig bezig met Tsjechisch-Nederlandse betrekkingen, kritische reflectie op het communisme en onderwijs over de waarde van vrijheid en democratie.