“Een Nederlander wilde mijn boek vertalen. Hij kwam drie keer langs en vertaalde het begin, maar gaf het uiteindelijk op: volgens hem zou het toch niet worden wat het moest zijn, omdat ik woorden gebruik die volgens hem niet te vertalen zijn.”
“Zonder Jarek Hutka was ik geen schrijver geworden. Jarek wist dat ik last had van stress. Met Kerst kocht hij een schrift voor me en gaf me de raad: ‘Ivan, schrijf je ervaringen en gevoelens op, dat zal je helpen, je zult zien.’ Dus begon ik te schrijven. Later vroeg Jarek hoe het ermee stond. Ik zei dat ik al wat had, gaf het hem te lezen, en hij zei: ‘Maar dit zijn helemaal geen notities, dit is een boek! Ga door.’ Dus ging ik door met schrijven. Toen ik het eerste deel af had, vroeg ik hem: ‘Jarušu, denk je dat ik ook over de mijnbouw moet schrijven?’ En hij zei: ‘Schrijf!’ Dus schreef ik.”
Ik belde aan bij Jaroslav Hutka thuis. Een steile houten trap leidde naar de ingang. Jarek deed open, ging in de deuropening staan en ik vroeg: “Bent u meneer Hutka?”
Hij antwoordde: “Ja, dat ben ik. Wat heb je nodig? Kom binnen!”
We konden het meteen goed met elkaar vinden en Jarek leende me zijn atelier, zodat ik een plek had om te wonen. Ongeveer een jaar bleef ik in dat atelier, tot ze me in Rotterdam hielpen een eigen woning te vinden. Jareks atelier lag maar zo’n tweehonderd meter van mijn nieuwe huis vandaan; we bleven elkaar vaak bezoeken en waren veel samen.
“Wij hadden een meester die een verstokte communist was. Ik was een lastig joch en hij zat me voortdurend op de huid. Dat mijn haar te lang was, hij had altijd wel iets. Dus ging ik naar de kapper en liet me kaalknippen. Ik kwam terug en hij wilde me daarvoor bijna in elkaar slaan. Toen ben ik maar niet meer gekomen en ging werken als hulpkracht bij het ijzertransport.”
“We stuurden het manuscript naar Škvorecký, en dat hielp me precies om politiek asiel te krijgen. Ik stond onder politietoezicht en had een boekje waarmee ik regelmatig bij de politie moest komen. Škvorecký schreef een brief waarin stond dat ik schrijver ben. Samen met Jarek regelden we dat ik op basis daarvan een status kreeg. Na tien jaar had ik recht op het Nederlandse staatsburgerschap. Tot op de dag van vandaag ben ik Nederlander, want het Tsjechische staatsburgerschap kreeg ik niet terug.
Škvorecký heeft het boek zelf niet uitgegeven, maar zijn brief hielp enorm. Het was ook een beetje vreemd geregeld. Jarek Hutka had het hier voor mij in gang gezet en toen hoorde Stoilov van uitgeverij Torst ervan. Hij wilde mijn boeken uitgeven. Ik reisde ondertussen al heen en weer, dus hij stuurde de contracten naar Nederland, met de belofte al mijn drie boeken uit te geven. Alleen had ik die contracten daar getekend — en dat was slecht geregeld, want er had moeten staan dat ik recht had op inkomsten van elk boek, van elke druk.
Hij heeft de boeken wel uitgebracht; Pestré vrstvy stuurde hij zelfs naar Nederland. Maar de contracten waren zo slecht dat ik er bijna niets aan had: tienduizend kronen, maar verder geen procenten, helemaal niets. Hij heeft me gewoon opgelicht… Het boek werd ‘Boek van het Jaar’, iets waar ik totaal niet op had gerekend. Echt een schandaal. Mijn moeder heeft het niet eens gelezen.”
“Angst heb ik daar nooit gehad. Een keer reden we met de combine recht een zogenaamd ‘mořské oko’ in, een soort ondergrondse holte met agressief zout water. Het water heeft me toen weggeslagen. Die mořská oka zijn cavernes, van die ondergrondse holtes. In de grond zijn plekken, een soort grotten met zoute, agressieve, bijna zeewaterachtige vloeistof. Niemand weet precies waar ze zitten. Wij werkten bij het geologisch onderzoek om dat juist uit te zoeken. Je merkt het eraan dat het begint door te sijpelen. Dat heet štus. Eerst gaat het langzaam, dan wordt het groter en groter, en ineens barst het open. Water is erger dan vuur. En zo is het mij overkomen. Het heeft de hele dwarsgang totaal onder water gezet – soms overstroomt het een hele schacht, afhankelijk van hoe groot dat mořské oko is. Bij ons liep alles vol – we werkten op het negende, achtste niveau. Alles…
Niemand is iets overkomen, alleen ik had het even moeilijk. Ik had de jongens weggestuurd. Maar goed, ik was alleen wat gehavend. We werden ook wel eens bedolven. Een paar keer had ik van die ongelukken – dat hoort erbij. Bijna al mijn vingers zijn eens gebroken geweest…
Dat is bijvoorbeeld een laag, een steenkoollaag. Wij volgden de laag tijdens het drijven, op het spoor van de steenkool, en dat moesten we soms echt zoeken, want het kon zomaar verdwijnen. De steenkool loopt bijvoorbeeld horizontaal en ineens zit er een verzakking van drie meter naar beneden. Dan moesten we terug en een hellingbaan maken om weer in die laag te kunnen komen. Tussenin zaten er van die open ruimtes met de zogenaamde bonte lagen.
Dat is speksteenachtig gesteente, verraderlijk spul. Het is groen, rood, wit – allerlei kleuren. Het ziet er mooi uit, maar het is verraderlijk, want het waarschuwt niet. De normale bovenlaag – leisteen, zandsteen, conglomeraat en andere gesteenten – geeft tenminste een waarschuwing: eerst begint het licht te stuiven, en dan moet je meteen weg. Want even later stort het neer. Maar die bonte lagen doen helemaal niets. Je kunt het niet lezen. En dan stort het ineens in. En daaronder moesten wij werken. Eén of twee mannen hielden de wacht en ik moest altijd als eerste naar binnen. Ik stuur de jongens toch niet vooruit. Ik was verantwoordelijk voor ze.
Het ergst waren ook de zogeheten ‘klobouky’. Zo noemden wij dat. Ze zaten in het leisteendak. Ik kende ze inmiddels goed: het waren versteende boomstammen het binnenste was vergaan en de schors tot steenkool was geworden. Het leek stevig gesteente, maar één tik was genoeg en zo’n blok viel omlaag als een tafelblad. Soms stortten ze zelfs vanzelf in – ze hebben al heel wat mijnwerkers gedood. Maar ik wist precies waar ze konden zitten. Dat is routine. Je moet voortdurend op je hoede zijn; een flegmatieke houding kan je daar niet hebben
Na het schieten moest ík altijd als eerste naar binnen, de jongens liet ik er niet in. Na een ontploffing is alles los, open ruimte, en boven je hangt een dak vol stenen. Dan moest ik met een oude boor langs de wanden gaan en alles controleren. Daarna werden er rails uitgeschoven en legden we er balken op, zodat het dak tenminste enigszins werd ondersteund. Pas toen volgde het overige werk.
We boorden drie staalkabels – wij noemden dat ´klamoro´, een soort kabelschraper. Een grote metalen schep die heen en weer werd getrokken en het puin via een rol naar buiten haalde. Als alles was uitgegraven, bouwden we het in de houten steunpalen, de zogeheten 'hajcmani'. En zo ging dat telkens opnieuw. … De mijn had negen niveaus en lag zo’n achthonderd meter diep.”
“Toen het jaar 1968 kwam, ben ik uit protest gestopt met werken. Gewoon gestopt. Een jaar lang heb ik niets gedaan, tot ik naar het leger moest. Ik werd een jaar lang achtervolgd, niet alleen ik, maar ook mijn vrienden, met wie ik nog steeds contact heb. Voor onze dienstplicht gingen we op verschillende plekken kamperen. Het stuwmeer, het Mácha-meer, het Orava-stuwmeer. Daar maakten we van alles mee. Zonder geld, maar er waren meisjes. We redden ons altijd wel.
Ik weet nog dat ik toen in Karviná bij een vriend was. Ik sliep thuis al bijna nooit meer, eerder bij vrienden overal. Als jongen had ik overal mogelijkheden. En op een nacht sliep ik bij een vriendin. Nou ja, ik had eigenlijk verkering met een andere, maar ik heb bij die vriendin geslapen omdat ze net een leeg appartement had.
’s Ochtends kwam mijn meisje binnenvliegen en riep: ‘Sta op, het is oorlog!’ Dat er tanks rondreden. Dus we vlogen naar buiten en zagen op de hoofdstraat in Karviná die tanks. We wisten niet wat er gebeurde. Later hoorden we op de radio dat we bezet waren door het Sovjetleger.
En toen hoorden we oproepen om de straatnaamborden van de muren te halen. Dus daar zijn we meteen aan begonnen. En later, uit protest, hebben we ons allemaal kaal laten scheren — we waren met z’n twaalven. We gingen naar een fotograaf, ik schreef een groot bord: ‘Okupanti v republice, naše vlasy do pudlice’ (bezetters in de republiek, ons haar in de prullenbak). De fotograaf heeft ons gratis gefotografeerd. Die foto heb ik ergens nog.
In 1968 wilde ik al vluchten. Die gedachten had ik al lang, maar ik probeerde ook mijn vrienden mee te krijgen. Niemand durfde. Ze waren bang. Dus zei ik: ‘Jongens, wat doen we hier nog? We kunnen gaan, de grenzen staan open. Laten we gaan.’ Alleen durfde ik niet.
Ik kreeg problemen met de autoriteiten. Ze kwamen steeds langs. Soms sliep ik weer eens thuis. Mijn broer kwam in 1968 net terug van het leger. En toen stonden er ineens politiemannen voor de deur. Ik lag thuis te slapen, mijn moeder was weg, en mijn broer ontkende dat ik er was.
Toen hebben ze ons achternagezeten, we waren met ongeveer vijf. Ik wil de namen van die jongens niet noemen, want dat zou één van hen ernstig schaden. Hij heeft tegenwoordig een zeer hoge functie. Ze hebben ons naar de politie gebracht en ondervraagd. We waren zulke deugnieten. Ken je die automaten waar vroeger sigaretten in zaten? Die gingen wij openbreken. Ik gooide er een baksteen tegenaan en omdat ik lange vingers had, viste ik de pakjes eruit, stopte ze onder mijn jas en dan renden we weg.
En toen ging ik naar het leger. Daar werd ik pas voor de rechter gedaagd. Ik heb een voorwaardelijke straf gekregen — volgens mij acht maanden met een proeftijd van twee jaar. Voor ‘“asociaal parasitisme”. Van die diefstallen zijn ze nooit achter gekomen.”
“Ik ben geboren in Nový Jičín, in de regio Valašsko. Er waren discussies dat het eigenlijk Lašsko zou zijn, maar uiteindelijk bleek dat het toch Valašsko is. De Valaši zijn er een beetje trots op dat ze Valaši zijn. Net als Bolek Polívka, die ooit over mij zei dat ik geen Valach ben maar een ‘Valalach’, omdat Nový Jičín precies op de grens ligt. Maar uiteindelijk bleek het toch Valašsko te zijn. Ik ben dus geen Valalach maar een Valach. Valašsko is een ruige streek — de mensen zijn er streng en gehard, maar ook uitstekende kerels. Mijn ouders waren ook zulke mensen.”
Mijn moeder is geboren in Příbor, vlak bij Nový Jičín, mijn vader komt uit Jihlava. Ze hebben elkaar ontmoet in de Tatra-fabriek: mijn vader werkte er als monteur, mijn moeder polijstte auto-onderdelen. Zo leerden ze elkaar kennen en trouwden ze. We woonden toen bij mijn oma in Příbor, ergens anders was geen plek.
Later heeft mijn vader een technische middelbare school afgemaakt en ging hij werken in de mijn Antonín Zápotocký, waar ik later ook werkte. We verhuisden naar Havířov, toen was het nog Šumbark Daar ging ik naar de eersteklas, en woonde er tot mijn militaire dienst.
Ik heb twee broers. Eén, die ‘geslaagde’, woont in Canada. Het gaat hem heel goed, want hij is een echte kapitalist, een ondernemer. En dan heb ik nog een jongere broer, die nog steeds bij mijn moeder woont. Hij is nog altijd vrijgezel en werkt als metselaar.”
“Ik was er helemaal van onder de indruk: vrijheid. Daar kon je die vrijheid echt voelen. Voor mij was de taal echter een probleem. Het eerste wat ik deed, was op zoek gaan naar Tsjechische cafés, want mijn broer in Canada had me verteld dat er in Nederland, voor het geval dat, genoeg zouden zijn. Maar er was er geen één te vinden; ik zocht in de gids, overal niets. Alleen een paar Joegoslavische cafés…
Op een dag zat ik in een café en bladerde door die gids. Ik had een woordenboek bij me en probeerde de ober duidelijk te maken dat ik een Tsjechisch café zocht. Ik zat aan de bar toen er ineens een man naast me kwam zitten die in gebroken Tsjechisch tegen me begon te praten. Het was haast alsof het uit een sprookje kwam, hè? Hij vertelde dat hij hier tijdens de oorlog krijgsgevangene was geweest, hier een tijd had gewerkt en daardoor nog een beetje Tsjechisch sprak. Hij zei dat hij in Rotterdam iemand kende die Hutka heette — een zanger — en ook Jana Beranová, een schrijfster. Ik had alleen vaag van een Hutka gehoord. Hij hielp me het telefoonnummer te vinden, en dus ging ik van Amsterdam naar Rotterdam.
Ik vond zijn adres, belde aan, maar niemand deed open. Daarna ging ik op zoek naar Jana Beranová. Ook daar belde ik aan, maar weer geen reactie. Later hoorde ik van een Nederlandse vrouw dat Beranová op vakantie was in Spanje en pas over twee maanden terug zou komen. Over Jaroslav Hutka wist ik verder niets.
Ik had nog wat geld, zo’n twaalfhonderd dollar, die ik bij mijn broer had verdiend. Hij betaalde me vijftig per dag, als dagloner. Daarmee vond ik een hotel om te overnachten. Toen het geld op was, bleef er niets anders over dan in parken te slapen, in het graan, waar het maar kon. En telkens weer ging ik bij Hutka aanbellen. Het duurde anderhalve maand, bijna twee, voordat ik hem eindelijk thuis trof. Ik belde aan, en dit keer deed hij open. Zo werden we goede vrienden.
Hij was het echt. Ik had zulke spanningen, geen wonder — ik had al van alles meegemaakt. Hij zei tegen me: ‘Ivan, luister. Het beste medicijn is schrijven. Schrijf, houd een dagboek bij. Dat helpt.’ Dus begon ik een dagboek te schrijven en liet hem later lezen wat ik had. Hij zei: ‘Dit is geen dagboek, dit is een boek. Ga door.’ Zo begon ik aan Pestré vrstvy. Later vroeg ik Jarek of ik ook over de mijnen moest schrijven. Hij zei: ‘Natuurlijk, schrijf.’ Zo zijn Pestré vrstvy ontstaan. Eigenlijk hadden het twee boeken moeten worden, maar we hebben ze samengevoegd."
„Ik ga daar af en toe nog heen. Altijd twee keer per jaar op bezoek. Naar mijn moeder, en ook naar een paar vrienden, maar die vrienden met wie ik in de mijn werkte, die zie ik helemaal niet meer. Ik heb naar hen gezocht, bijvoorbeeld naar Tonda uit Bohumín. Ik weet niet wat er met hen gebeurd is. Maar ik heb gehoord dat die andere vrienden, ook uit Havířov, die ook in de mijn werkten maar niet in mijn ploeg, dat van hen er al ongeveer de helft overleden is. Laatst was ik daar en een vriend zei tegen me dat Vlastík overleden is. Net zo oud als ik.”
“Toen mijn militaire dienst erop zat, ben ik bij ČSAD als bijrijder op gasflessen gaan werken. Dat heb ik drie maanden gedaan, en toen zei ik tegen mezelf dat ik voor een jaartje als vakantiekracht naar de mijn zou gaan. Dat zou ik wel volhouden. Daar heb ik mijn meisje leren kennen – mijn latere vrouw. En al snel, na nog geen jaar, moest ik trouwen. We hadden geen woning, dus woonden we onderhuur bij een of andere vrouw in een dorpje Dárkov, totdat ik een eigen woning kreeg. Ik zei tegen mezelf dat ik geld nodig had, dus ik zou de mijn niet verlaten. Eerst werkte ik bij de geologische dienst bij de boorinstallaties. Daar was weinig geld, dus wilde ik naar het front om te gaan hakken. Dat ging me best goed af, en na twee jaar was ik al ploegbaas – ongelooflijk snel. Ik heb het daar vijftien jaar volgehouden.”
“Jarek is meteen na de revolutie hierheen teruggegaan. En ik begon het jammer te vinden; ik zei ook tegen mezelf dat ik hier niet wilde sterven zoals Jan Amos Komenský. Ik had hier niemand. Het Nederlands hing me een beetje de keel uit. Ik dacht: nou en? Wat kunnen ze me daar doen? Ik ga gewoon terug. Vlastík Třešňák en Jarek Hutka haalden me over: kom, kom terug.
Ik had een huis gekocht - je zou bij mij als huismeester kunnen werken ergens in Kamenice.
En toen begon een vrouw me naar Nederland te schrijven, dat ze mijn boek had gelezen. Ze heette Lucie Váchová, ze had een broer in Utrecht en reisde daar vaak heen. Dus we begonnen elkaar te schrijven, en op een dag moest ze weer naar haar broer en zei dat ze me graag wilde ontmoeten, me wilde zien, dus kwam ze langs. En het eindigde ermee dat ik uiteindelijk naar haar in Praag ben verhuisd, naar deze woning, zeven jaar geleden. Dus woon ik sinds 2000 hier.”
“Als ploegbaas had ik de taak om de groep te leiden, een soort plan te schrijven van wat er die dag moest gebeuren – bijvoorbeeld opschrijven hoeveel gaten we voor het schieten moesten boren, en zo verder. Het was steeds dezelfde molen. Eerst werd er geboord, dan – als er geschoten was – werd alles er uitgehaald, ingebouwd, weer geboord, weer er uitgehaald, weer ingebouwd. Het was een voortdurende cyclus, afhankelijk van hoe het ging. Je stond nooit stil. Het hing vooral van de mijn af: hoe goed je met de jongens kon samenwerken. Als ze niet op elkaar ingespeeld waren, dan ging het gewoon niet. Maar ik had een ploeg waarbij ik niks hoefde te zeggen. De jongens wisten al precies wat ze moesten doen. De één haalde de slangen, de ander de pneumatische hamer, weer een ander sleepte materiaal aan. En ik werkte natuurlijk met hen mee – ook al had ik dat niet per se hoeven doen.
En de mijnopzichter? Dat hing ervan af welke je had…Meestal waren het communisten. Sommigen waren, met alle respect, eikels, en met hen had ik problemen. Ik ging niet met hen in discussie. En met mij wisten ze ook geen raad.
… Niemand in mijn ploeg zat bij de partij. Ze probeerden me steeds jongens toe te wijzen, zodat ik ‘iemand’ zou aannemen. Eerst vroeg ik altijd: ‘Ben je communist?’ – ‘Kandidaat-lid.’ – ‘Ga maar, ga maar weg.’ Dan vroegen ze: ‘Waarom wil je hem niet?’ – ‘Ik wil hem gewoon niet.’ Dus kreeg ik jongens die anti waren. Allemaal.”
“Ik ging rechtstreeks op uitnodiging naar Toronto. Die uitnodiging was goedgekeurd. Ik vloog vanaf het vliegveld hier, vanuit Praag – Ruzyně – naar Toronto. Ze wachtten al op me. Ik bleef daar twee maanden, en daarna moest ik weer weg. Ik weet niet waarom, het is nooit opgehelderd. Helaas. Mijn broer zei me gewoon dat het niet kon, dat hij met de mensen van de immigratiedienst had gesproken en dat ik ofwel uit een ander land asiel moest aanvragen, ofwel uit Tsjechoslowakije. Dus vroeg ik asiel aan in Nederland, waar ze me prompt voor een spion aanzagen. ‘Waarom heb je dat niet daar aangevraagd?’ …
In Canada was het prachtig. We gingen een week op vakantie aan het Lucky Lake, een meer dat ongeveer zo groot was als de halve Tsjechoslowakije. We waren er een week lang aan het vissen. Verder werkte ik vanaf de eerste dag bij hem in de werkplaats. Mijn broer was in ’69 naar Zweden gevlucht, bleef daar zo’n tien jaar en ging daarna naar Canada. In Zweden werkte hij als automonteur en begon hij zijn eigen Volvobedrijf. En een paar jaar later verhuisde hij naar Victoria, waar hij een prachtig huis heeft.
… Ik ben niet gevlucht — hij heeft me bedonderd en eruit gegooid. Hij zei dat ik terug moest. Maar ik wilde voor geen goud terug, ook al lieten ze me zeven dagen lang op het vliegveld bij de deur zitten. Ik zat daar en was doodsbang. Ik dacht steeds dat ik gedeporteerd zou worden.
Toen kreeg ik een tolk – een Poolse vrouw, want ik sprak helemaal geen Engels. En zij waarschuwde me dat ik moest liegen. Dat ik niet moest zeggen dat ik voor werk kwam, maar om politieke redenen. En toen kreeg ik zomaar een papiertje – een éénjarig verblijfsvergunningetje. Ze zeiden niet: ga daarheen, meld je daar. Ze gaven het me gewoon op het vliegveld: “De bus gaat zo, meld je op dit en dit adres, daar zorgen ze voor je. “
Ik heb het gevonden, maar het was dicht. Er was niemand. Het adres was vals. Dus heb ik twee maanden door parken gezworven, tot ik Hutka tegenkwam. Hij heeft me enorm geholpen. Jarek.”
“Ik heb zelf nooit problemen gehad in de mijn, ik had de beste ploeg. Wij waren zo goed op elkaar ingespeeld, dat had bijna niemand. Ik kon goed met de jongens opschieten; ze luisterden naar me en ik zat ze niet achterna. Toch moest ik vaak ‘op het matje’ komen bij de directeur – de kameraad-kameraad. Maar ik noemde hem nooit kameraad, altijd meneer. Dat vonden ze niet leuk, maar ze konden weinig doen, want ze wisten dat ik een harde werker was. Ze konden me nergens kwijt, dus moesten ze het maar slikken. Soms pakten ze me tien of twintig procent van mijn loon af, wat vrij veel was. Soms wel voor drie maanden.
We werkten op een afdeling. We waren drie ploegen die elkaar afwisselden: ochtend, middag, nacht. We waren met vijf man in de ploeg, plus transportmedewerkers tijdens de ochtenddienst. In de middag- en nachtdienst waren we met z’n vijven alleen.
En later, toen mijn broer mij drie, vier of zelfs meer uitnodigingen had gestuurd — die natuurlijk allemaal waren afgewezen — had ik juist promotie moeten krijgen tot hoofdvoorman. Maar dat wilde ik niet meer. Ik had zelfs geweigerd ploegbaas te worden voor de dienst. Ik had er gewoon genoeg van.
Ik was vastbesloten om naar Joegoslavië te gaan, waar ik na veertien jaar recht op had — recht op een gezondheidsverlof. Dat zouden ze me moeten geven. Het maakte me al niet meer uit; daar zou ik wel ontsnappen, op de een of andere manier.
Maar bij die laatste uitnodiging, die vijfde of zo, vroeg ik het toch opnieuw aan. Ik rekende nergens op. In de commissie zat een van mijn tegenstanders, een zekere Závorka, en hij wees het altijd af. Een Valach, maar o zo fanatiek communist. Een of andere voorzitter - geen partijvoorzitter, maar zoiets — een loopjongen.
Uiteindelijk liep het zo dat ze me tóch lieten gaan, omdat ze wisten dat ik daar al vijftien jaar werkte. ‘Wat moeten we nog met hem?’ Ze zouden me bijna een gedeeltelijk pensioen moeten betalen, en aan de voorkant van de mijn zou ik niet meer staan. Dus lieten ze me gaan. Zo legde iemand het me later uit. En zo hebben ze me uiteindelijk laten vertrekken naar Canada.”
“Ik was een deugniet als kleine jongen, ze hadden met mij meer dan genoeg problemen, maar ze waren toch lief voor me. Ik was een uitstekende leerling tot in de derde klas, maar toen kwam mijn vader in de problemen in de mijn. Hij werkte daar inmiddels als hoofdmechanicus, net toen er nieuwe combines kwamen. Een groep ingenieurs had zich daar gevormd en stal verchroomde mondstukken. Ik herinner me dat we in ons vijfverdiepingenhuis een klein opslaghok hadden — en dat het daar vol mee lag. Ik begreep er niks van. Op een dag kwam mijn vader niet thuis, en een paar dagen later kwamen de mannen van de StB, de geheime politie. Als klein jongetje verstopte ik me onder een stoeltje, ik was bang. Ze kwamen binnen, namen mijn vader mee, en doorzochten ons hele appartement en de kelder. Vader kreeg, denk ik, twee jaar. Mij heeft dat erg geraakt en ik hield op met goed leren. Ik verflauwde een beetje. Mama moest bij de spoorbomen gaan werken; we hadden geen geld, niets. Ze moest baanwachter worden en had geen tijd meer voor ons. We waren drie jongens. Vader nam de schuld op zich — zo was hij, hier heb ik een foto van hem. Hij had ooit in Praag gestudeerd. De anderen kregen niets, maar hij kreeg drie jaar. Toen hij thuiskwam, was hij al vreemd. Hij is later bij ons weggegaan. Ik heb al die mannen toen nog gezien, en ik heb het hen namens hem verweten. Ze keken heel vreemd.”
Ivan Landsmann werd geboren op 26 februari 1949 in Nový Jičín. Toen hij negen jaar oud was, werd zijn vader gevangengezet – en de begaafde leerling Ivan kreeg problemen op school. Hij leerde het vak van schilder, maar rondde zijn opleiding niet af; tot zijn diensttijd werkte hij als bezorger.
Na zijn militaire dienst trouwde hij en begon te werken op de mijn Antonín Zápotocký in Havířov, waar hij maar liefst vijftien jaar bleef werken. Het klimaat in Tsjechoslowakije voelde hem echter te benauwd aan, en hij besloot te emigreren. Eerst ging hij naar zijn broer in Canada, daarna terug naar Europa, naar Nederland.
Daar hielp Jaroslav Hutka hem aanzienlijk in zijn moeilijke emigrantenleven. Op Hutka’s aanmoediging begon Landsmann boeken te schrijven, meestal met een autobiografische inslag. Het boek Pestré vrstvy (Bonte lagen) ontving de prijs “Boek van het Jaar” van Lidové noviny.
In 2000 keerde hij terug naar Tsjechië. Ivan Landsmann overleed op 17 maart 2017 op 68-jarige leeftijd.